terug naar de beginpagina

F.C.I. Standaard Nr. 61/21.01.2004
ST. BERNARD

Met speciale dank aan onze raskeurmeesters, de heren Martin van de Weijer en Jan van de Belt die de vertaling, vanuit de Duitstalige standaard, voor hun rekening wilden nemen.

LAND VAN OORSPRONG: Zwitserland

PUBLICATIEDATUM VAN DE GELDENDE ORIGINELE STANDAARD: 29.10.2003.

FUNCTIE: Begeleidings-, waak- en erfhond.

INDELING FCI: groep 2, Pinschers en Schnauzers, Dogachtigen, Zwitserse Sennenhonden en andere rassen. Sectie 2.2. Dogachtigen, type Berghonden, zonder werkproef.

BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN HET RAS:

Op de hooggelegen pas van de grote St. Bernardpas, gelegen op 2469 meter boven de zeespiegel, hebben monniken in de 11e eeuw een kloosterherberg (het Hospiz) voor doorgaande reizigers en pelgrims gesticht. Vanaf het midden van de 17e eeuw hield men er grote berghonden voor de bewaking en bescherming. De aanwezigheid van deze honden is vanaf 1695 vastgelegd in afbeeldingen en aantekeningen in een document van het hospiz, dat dateert uit 1707. De honden werden weldra ter begeleiding aangewend en vooral als reddingshonden voor in de sneeuw en nevel verdwaalde reizigers ingezet. De in vele talen gepubliceerde kronieken, maken gewag van talrijke aan de greep van de witte dood ontrukte mensenlevens door deze honden, en de mondelinge verslagen van soldaten, die in 1800 met Napoleon Bonaparte de pas overstaken, hebben in de 19e eeuw de faam van de Sint Bernard, toentertijd Barry-Hund genoemd, over geheel Europa verbreid en de legendarische Barry werd tot het prototype van de reddingshond verheven. De directe voorouders van de Sint Bernard stamden af van de in de omgeving veel voorkomende grote boerenhonden, waaruit vervolgens na een aantal generaties, gefokt naar een vastgesteld ideaal type, het huidige ras is ontstaan. Een zekere Heinrich Schumacher uit Hollingen bij Bern gaf als eerste voor zijn honden afstammingsbewijzen af. In februari 1884 werd het Zwitserse Hondenstamboek (S.H.S.B.) geopend. De eerste inschrijvingen betrof de St. Bernard Léon, en de volgende 28 inschrijvingen waren ook St. Bernards. Op 15 maart 1884 werd de Zwitserse St. Bernard Club in Basel opgericht. Naar aanleiding van een internationaal kynologisch congres op 2 juni 1887 werd de Sint Bernard officieel als Zwitsers ras erkend en de rasstandaard werd verbindend verklaard. De Sint Bernard geldt vanaf dat moment als Zwitserse nationaal hond.

Algemene verschijning:

Er bestaan twee variëteiten van de Sint Bernard:

·          de variëteit Korthaar (stockhaar)

·          de variëteit Langhaar

Beide variëteiten vertonen een opvallende grootte en een indrukwekkend totaalbeeld; ze bezitten een harmonisch, krachtig, stram en gespierd lichaam met imposant hoofd en attente expressie.

 

Belangrijke verhoudingen:

·          de verlangde verhouding tussen schofthoogte en lengte van de romp (gemeten van boeggewricht tot zitbeenknobbel) bedraagt 9:10.

·          gewenste verhouding van schofthoogte tot borstdiepte: zie tekening.

·          de totale lengte van het hoofd bedraagt iets meer dan een derde deel van de schofthoogte.

·          de verhouding diepte van de voorsnuit (gemeten vanaf de aanzet) tot lengte van de voorsnuit ongeveer 2:1.

·          de voorsnuit moet iets langer zijn dan een derde deel van de totale hoofdlengte.

Gedrag en karakter:

Van nature vriendelijk. Een rustig tot levendig temperament; waakzaam.

Het hoofd:

Algemeen: massief, imponerend met krachtige uitdrukking.

Schedel en voorhoofd:

De krachtige brede schedel is zowel van voren als van terzijde gezien licht gewelfd; bij attentie vormt de ooraanzet met de schedel een rechte lijn, die zijdelings met vloeiende belijning overgaat in de krachtig ontwikkelde wangen. Middels een diepe, recht naar beneden dalende stop gaat het voorhoofd over in de voorsnuit. Achterhoofdsknobbel matig ontwikkeld. Wenkbrauwbogen krachtig ontwikkeld. De duidelijk gevormde voorhoofdsgroeve begint bij de stop en verloopt over het midden van de schedel. De voorhoofdshuid vormt boven de ogen kleine plooien, die schuin naar de voorhoofdsgroeve verlopen (convergeren); als de hond attent is zijn deze plooien matig zichtbaar, overigens vallen ze weinig op.

Stop:

Duidelijk gevormd en diep (markant).

Aangezichtsgedeelte:

Neus:

neusspiegel zwart, breed en hoekig met goed geopende neusgaten.

De voorsnuit:

van alle zijden bezien gelijkmatig breed met rechte neusrug, waarin een lichte groef.

Lippen:

de lippenranden moeten zwart gepigmenteerd zijn. De lippen van de bovenkaak krachtig ontwikkeld, stevig en niet te veel overhangend; naar de neus (tot aan de splitsing van de lippen) in een fraaie ronding verlopend. De mondhoek moet zichtbaar blijven.

Kaken en tanden:

boven- en onderkaak krachtig breed en van gelijke lengte. Een goed ontwikkeld, regelmatig en volledig schaar- of tanggebit. Nauwsluitende ondervoorbeet zonder ruimte tussen de snijtanden is toegestaan. Het ontbreken van P1 (premolaren 1) en M3 (molaren 3) toegestaan.

Ogen:

van gemiddelde grootte, donker tot hazelnootkleurig bruin, matig diep ingezet met vriendelijke uitdrukking. Van nature goed aangesloten oogleden verdienen voorkeur, een kleine vouw met een weinig zichtbaar bindvlies bij het onderooglid en een kleine vouw in het bovenlid zijn te tolereren. De oogleden moeten geheel gepigmenteerd zijn.

Oren:

van middelmatige grootte, hoog en breed aangezet; oorschelpen krachtig ontwikkeld. Oorlappen soepel, driehoekig van vorm met afgeronde punten; de achterkant van het oor iets afstaand van de schedel, de voorste rand ligt tegen de wangen.

Hals:

krachtig en voldoende lang; keel en halsplooien matig ontwikkeld.

Lichaam:

het totale beeld moet imponeren, harmonie vertonen, statig en goed bespierd zijn.

De schoft:

moet duidelijk aangegeven zijn.

De rug:

dient breed, krachtig en vast te zijn; de ruglijn verloopt tot aan de lendenen recht en horizontaal.

Kruis:

lang, een weinig hellend en harmonisch overgaand in de staartaanzet.

Borst:

de borstkorf moet matig diep zijn met goed gewelfde, maar geen tonvormige, ribben en niet dieper dan tot de ellebogen reiken.

Borst-buiklijn:

naar achter licht oplopend.

Staart:

De staartaanzet moet breed en krachtig zijn. De staart is lang en zwaar; de laatste staartwervel moet minimaal tot de hakken reiken; in rust recht naar beneden hangend of in een licht opwaartse boog (1/3 van het onderste deel van de staart) gedragen. Bij opwinding hoger gedragen.

Ledematen:

Voorhand:

van voren bezien recht en parallel en matig breed geplaatst.

Schouders:

de schouderbladen schuin geplaatst, goed bespierd en goed tegen de borstkorf liggend.

Opperarm:

langer dan het schouderblad; de hoek tussen schouderblad en opperarm niet te stomp. D.w.z. niet te wijd.

Ellebogen:

moeten aansluiten.

Onderarm:

recht met sterke botten en droge bespiering.

Middenvoeten:

van voren bezien loodrecht in het verlengde van de onderarm. Van terzijde bezien licht schuin naar voren geplaatst.

Voorvoeten:

breed met krachtige, nauw aanééngesloten, sterk gewelfde tenen.

Achterhand:  

matig gehoekt en krachtig bespierd; van achteren bezien evenwijdig en niet eng.

Bovendij:

krachtig, goed bespierd en breed.

Kniegewricht:

goed gehoekt, naar binnen noch naar buiten gedraaid.

Onderschenkel:

schuin geplaatst en tamelijk lang.

Hakken:

stevig met lichte hoeking.

Achtermiddenvoeten:

van achteren gezien recht en evenwijdig geplaatst.

Gangwerk: een harmonische, uitgrijpende beweging met krachtig stuwende achterhand, waarbij de rug stabiel en rustig blijft. Voor- en achtervoeten worden rechtlijnig bewogen.

Vacht:

Variëteiten korthaar (stockhaar):

bovenvacht dicht, vlak, goed aanliggend en hard. Dichte ondervacht. Dijen met een lichte broekbeharing. De staart dicht behaard.

Variëteiten langhaar:

rechte bovenvacht van middelmatige lengte en met dichte ondervacht, gezicht en oren kort behaard; op de heupen en het kruis is het haar meestal iets gegolfd; de voorbenen bevederd; op de dijen een flinke broekbeharing; staart bossig.

Kleur:

de grondkleur moet wit zijn, met kleine of grote roodbruine platen (platenhonden) tot een aaneensluitend roodbruin dek op de rug en de flanken (mantelhonden). Gescheurde mantel (met wit onderbroken mantel) van gelijke waarde als een aanééngesloten dek. Roodbruin gestroomd geoorloofd, bruingeel getolereerd. Donkere aftekeningen op het hoofd zijn zeer wenselijk. Een vleug van zwart op het lichaam is toegestaan.

Voorgeschreven witte aftekeningen:

borst, voeten, staartpunt, neusband, bles en nekvlek.

Gewenste aftekening:

witte kraag, symmetrisch donker masker.

Grootte:

De schofthoogte van reuen bedraagt minstens 70 cm en voor teven 65 cm. Maximale maat voor reuen 90 cm en teven 80 cm. Honden groter dan de maximale hoogte mogen niet lager beoordeeld worden in zoverre het algeheel beeld harmonisch is en de honden een correct gangwerk laten zien.

Fouten:

Iedere afwijking van bovengenoemde raspunten moet als een fout worden aangemerkt en beoordeeld worden naar mate de ernst van de afwijking.

·          Gebrekkig geslachtstype

·          Geen harmonisch totaalbeeld

·          In verhouding tot grootte te korte benen (kortbenigheid)

·          Sterke plooivorming op hoofd en hals (keelhuid)

·          Te korte of te lange voorsnuit

·          Openvallende lippen van de onderkaak

·          Het ontbreken van tanden (behalve PM1 en M3). Kleine tanden, vooral snijtanden

·          Een lichte ondervoorbeet

·          Lichte ogen

·          Onvoldoende gesloten oogleden

·          Zadelrug, karperrug

·          Overbouwd of een sterk hellend kruis

·          Over de rug gedragen krulstaart

·          Het ontbreken van de voorgeschreven aftekening

·          Kromme of sterk naar buiten gedraaide voorbenen

·          Een steile, O-benige of koehakkige achterhand

·          Foutief gangwerk

·          Gekruld haar

·          Onvolledige of ontbrekende pigmentering van de neusspiegel, rondom de neus, van de lippen en de oogleden

·          Foutieve grondkleur, bijvoorbeeld roodbruine vlekken of stippen in het wit

Diskwalificerende fouten:

·          Angstige of agressieve honden

·          Onder- of uitgesproken bovenvoorbeet

·          Blauwe ogen (glasogen)

·          Ectropion, entropion

·          Een geheel wit of volledig roodbruin haarkleed (het ontbreken van de grondkleur)

·          Anderskleurige vachten

·          Ondermaatse honden

Honden, die duidelijk fysieke of gedragsstoornissen vertonen moeten gediskwalificeerd worden.

NB reuen moeten twee normaal ontwikkelde testikels bezitten, die volledig in het scrotum afgedaald moeten zijn.

Deze veranderde standaard treedt vanaf april 2004 in werking.